Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoordgenerator
Vul hier een jaartal in (vanaf 1800) en ontdek welke woorden er in dat jaar aan het Nederlands werden toegevoegd.

 

allengs - (langzamerhand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

allengs bw. ‘langzamerhand’
Mnl. allintselingen ‘bij beetjes’, allintslingen ‘voetje voor voetje’ [1240; Bern.], al eenkine ‘geleidelijk’ [begin 14e eeuw; MNW], ook allenkijn, allenskine, allencskine, allinsene, allensene ‘geleidelijk; een beetje’, allinselinghen ‘voetje voor voetje’ [ca. 1481-83; Voc.cop.]; vnnl. allenskens “metter tijt” [1557; Meurier], allencx ‘langzamerhand’ [ca. 1615; WNT], allengskens [1637; Statenbijbel]; nnl. allengs [1784; WNT].
In het Middelnederlands gaat het wrsch. om twee woorden: alleenskine ‘een voor een’, ontstaan uit al + een(s) + -kine, en allenc(s)kine ‘allengs’ < al + lanc + -kine. De vorm -kine is het verkleiningsachtervoegsel. Reeds in de 15e eeuw lopen de vormen en betekenissen door elkaar. Kiliaan houdt in 1599 beide vormen in betekenis uit elkaar en schrijft dat het woord op verschillende manieren geschreven en uitgesproken wordt (“Varie et variis haec dictio scribitur, pronuntiatur et explicatur”). De vorm zonder -s komt nog in de 17e eeuw voor. Wrsch. sleet de vorm af tot allenke en werd een bijwoordelijke → -s toegevoegd. Associatie met het bn. lang riep de vorm met g op.
Mnd. allenkens, allengskens; nfri. allinken (naast linkelytsen).

EWN: allengs bw. 'langzamerhand'; de vormen allencx (ca. 1615) en allengs (1784)
ANTEDATERING: allencx [1597; iWNT oprijzen]; allengs [1614; Van Scrieck, 541]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

allengs* [langzamerhand] {allencsom ca. 1410, alleinsken [een voor een] 1450} van middelnederlands al [geheel en al] + eenskine, verkleiningsvorm van één [dus eig.: met eentjes, stuk voor stuk], maar onder invloed gekomen van lang.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

allengs bw., ontstaan uit allengskens, met adverb. s uit mnl. allencskine, alleenskine, alleiskine, aleinsken, waarnaast al eenkine, allenkine. Samengesteld uit al en eenskine, dat met het dem. suff. -kine gevormd is; het woord betekent dus ‘bij een tegelijk’. Vgl. mnd. allentelen, mhd. alenzeln.

De g van het nnl. kan later ingevoegd zijn, misschien onder invloed van lang? Vgl. vormen als mnl., oudnnl. allenken, fri. allinken aon ‘allengs’, die geen aanleiding behoeven te zijn een stam lenk- aan te nemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

allengs bijw., in dezen vorm nog niet bij Kil Met afwerping van -kens uit allengskens, dat met adverbiale -s gevormd was van mnl. allencskine, alleenskine, alleiskine, aleinsken (e. a. dergl. vormen), waarnaast al eenkine, allenkine, -ken, een samenstelling van al (bijw.) en *een(s)kine, vgl. mhd. (md.) alȇnzeln naast ȇnzeln, mnd. allentelen naast entelen (ook bnw. allentel naast entel) “een voor een, allengs”. Al versterkte nog de distributieve bet., die -kine (ospr. deminutief-suffix) reeds aan het woord had gegeven: “bij één tegelijk”, -kine komt ook bij andere bijww. voor, bijv. stillekine “stilletjes”. De s vóór het formans vertoont ook mnd. allensken “allengs”. De g in het ndl. woord is jonger; lang (vgl. langzamerhand) is hier misschien van invloed geweest. Ook kan men uit den mnl. oudnnl. vorm allenken (fri. allinken aon “allengs”) een stam lenk- geabstraheerd hebben. Deze beide vermoedens kunnen tegelijk juist zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

allengs. Naast mnd. allentelen bijw. geen allentel bnw.
Allengs behoeft niet uitsluitend te zijn ontstaan uit allengskens “door afwerping van –kens”. De in het Mnl. zeer gewone vorm allenken, in het art. alleen gebruikt om de latere g (een zuiver grafische bijzonderheid) te helpen verklaren, kan ook rechtstreeks geleid hebben tot het opkomen van allengs, doordat aan de stam lenk- of leng-, die men hieruit abstraheerde, de adverbiale -s gehecht werd. Maar beide mogelijkheden sluiten elkaar niet uit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

allengs, allengskens bijw., het eerste is een jongere vorm, uit het tweede gemaakt, - en het tweede is een vervorming voor alleenskens, d.i. eentje voor eentje, bij Kiliaan vertaald door singulatim; reeds Mnl. bestonden allenkine, allencsken, d.i. langer en langer, à la longue, nevens al eenkine, alleenkine, alleenkines.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

allensies: “gaandeweg, geleidelik, langsamerhand”, nie by WAT nie, wel allengs(kens) in dies. bet.; Ndl. allengs(kens) met reeks ouer wv. wu. blyk dat die wd. nie verb. hou met lang(s)/lengte nie, hoewel lg. invl. daarop kon gehad het, maar te verkl. is uit al + een + (adv.) -s + (dim.) -kine + (adv.) -s (lett. “een vir eentjie”), met ’n tweede l na die vb. v. alleen (uit al + een).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Allengskens, Mnl. allencskine of alleenskine, d.i. letterlijk: al-eens-kens; ’t is het verkleinwoord van al-door-maar één, onophoudelijk eentje: dus: zeer langzaam. Dit verkleinwoord ken + s komt ook bij enkele andere bijwoorden, bijv.: stillekens; vgl. „si ghinc er stillekine uut”; zachtkens; vgl. ons hedendaagsch: zachtjes, zoetjes, warmpjes, enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

allengs* bijwoord van tijd: langzamerhand 1615 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal